Het ritme: jaarlijks, altijd in dezelfde maand

Een meteropname is jaarlijks verplicht, telkens in dezelfde maand. Maandelijks opnemen op een vaste datum is beter, omdat je dan sneller ziet wanneer er iets misloopt. De opname gebeurt door een energiedeskundige type D of door je eigen gebouwbeheerder.

Een meter heeft minstens een jaar historiek nodig. Pas na twaalf maanden geldige jaarmetingen telt een nieuwe meter mee voor het hernieuwbaar aandeel. Wil je tegen 2028 of 2030 aan label E raken, dan plan je je meters dus ruim op voorhand.

Wettelijk volstaat een Excel-bestand of een energiemonitoringtool. De gegevens moeten wel duidelijk, consistent en verifieerbaar zijn.

Welke meters tellen mee voor je label

Niet elke meter draagt evenveel bij. Deze zeven bepalen samen het aandeel hernieuwbare energie dat we kunnen aantonen.

MeterWat ze meetVereiste
Hoofdmeter elektriciteit Inkomende elektriciteit vanuit het distributienet, digitale of analoge meter van Fluvius. Standaard aanwezig. Bij een digitale meter automatisch uitleesbaar.
Hoofdmeter gas of stookolie Inkomend aardgas of stookolieverbruik. Bij stookolie via een debietsmeter of via tankpeilstanden en leveringsbonnen. Standaard aanwezig. Bij stookolie moet je de bewijsstukken bewaren.
Productiemeter PV De effectief opgewekte zonne-energie. Cruciaal om je hernieuwbaar aandeel te valideren. Aparte productiemeter. Een uitlezing van de omvormer is meestal niet nauwkeurig genoeg.
Injectiemeter PV De elektriciteit die je terug op het net zet. Nodig om je eigenverbruik correct te bepalen. Verplicht bij PV. Een digitale meter of een aparte injectiemeter.
Meter warmtepomp Het elektrisch verbruik van je warmtepomp of warmtepompen, het best apart voor verwarmen en koelen. Een aparte meter per warmtepomp. Gescheiden meten van verwarmen en koelen levert een beter label op.
Warmtemeter De geleverde of verbruikte warmte uit een warmtenet, een biomassaketel, een WKK of restwarmte. Verplicht bij een warmtenet of bij hernieuwbare warmtebronnen.
Tussenmeters en submeters Verbruik per zone, verdieping, gebruiker of installatie. Belangrijk bij gedeelde sites of gemengde bestemmingen. Optioneel, maar sterk aanbevolen voor een nauwkeurig label.

Vier valkuilen die je rechtstreeks label kosten

Deze vier situaties komen we het vaakst tegen. Elk ervan verlaagt je hernieuwbaar aandeel, en dus je label.

  1. PV met een terugdraaiende teller en zonder injectiemeter. Je eigenverbruik valt dan niet te bepalen. Oplossing: een digitale meter of een aparte injectiemeter.
  2. Een warmtepomp met enkel een gecombineerde meting van verwarmen en koelen. Dan wordt de meest conservatieve formule toegepast, met een lager hernieuwbaar aandeel en een slechter label als gevolg.
  3. Meetwaarden die je afleest via de omvormer. Die halen vaak de nauwkeurigheidseisen van het VEKA niet. Er is dan een aparte gekalibreerde meter nodig.
  4. Een meter die er nog geen twaalf maanden hangt. Die kan nog niet bijdragen aan je label, dus plan je plaatsing ruim voor de labeldeadlines van 2028 en 2030.

Een quick win voor je label

Laat je bemetering nakijken vóór we het certificaat opmaken. Ontbrekende meters plaatsen kost doorgaans een fractie van wat een slechter label je nadien kost aan renovatieverplichtingen.

Welke nauwkeurigheid vraagt het VEKA?

Meters die geplaatst zijn in het kader van een bestaande verplichting worden verondersteld nauwkeurig genoeg te zijn. Hun nauwkeurigheid hoeft niet verder onderzocht te worden. Dat geldt voor nutsmeters, groenestroommeters die groenestroomcertificaten staven, productie- en brandstofmeters die warmtekrachtcertificaten staven, de verplichte verbruiksmeters bij gedeelde warmte- of koudeopwekking, en de verplichte verbruiksmeters uit de EPB-installatie-eisen.

Gaat het niet om zo'n meter, of twijfel je, dan gelden de eisen uit de tabel hieronder. Een meter moet daarbij minstens vanaf 20 % van zijn nominale meetbereik aan die eisen voldoen, want de nauwkeurigheid loopt doorgaans sterk terug naar de ondergrens van het bereik toe.

Daarnaast moet elke meter cumulatief uitleesbaar zijn. De meterstand toont dus het totale verbruik sinds de indienstname, zodat het verschil tussen twee opnames het verbruik over die periode geeft.

Vereiste nauwkeurigheid voor niet-nutsmeters, VEKA-meetprotocol Deel VII
Type meterEenheidNauwkeurigheid
Elektriciteit, teller en eventuele transformatoren kWh 2 % op de meting, of nauwkeurigheidsklasse B volgens het KB van 15 april 2016 of gelijkwaardig
Gas, teller en eventueel volumeherleidingsinstrument m³ of Nm³ 2 % op de meting, of nauwkeurigheidsklasse 1,5 volgens het KB van 15 april 2016 of gelijkwaardig
Vloeibare brandstof L 1 % op de meting, of nauwkeurigheidsklasse 1,5 volgens het KB van 15 april 2016 of gelijkwaardig
Warmte, alle opwekkers behalve een lucht-lucht-VRF die gelijktijdig koelt en verwarmt kWh 2 % op de meting, of nauwkeurigheidsklasse 2 volgens het KB van 15 april 2016 of gelijkwaardig
Warmte van een lucht-lucht-VRF die gelijktijdig koelt en verwarmt kWh 8 % op de volledige schaal

Bron: VEKA, inspectie- en meetprotocol EPC NR, Deel VII "meters", geldig vanaf 1 januari 2025.

Waar de meter moet hangen

Het opgemeten energiegebruik moet representatief zijn voor het werkelijke gebruik binnen de scope van het certificaat. Om een sterke over- of onderschatting te vermijden gelden er twee vuistregels.

  • Bij lokaal opgewekte energie hangt de meter zo dicht als praktisch haalbaar bij de opwekker. Dat geldt ook als die opwekker eenheden buiten de scope bedient.
  • Bij een inkomende of geëxporteerde stroom hangt de meter zo dicht als praktisch haalbaar bij de grens van de scope.

Twijfel je of een meter dicht genoeg bij de opwekker of bij de grens van de scope hangt, neem dan contact op met het VEKA of leg het ons voor.

Wat wij voor je kunnen doen

Bemetering is een van de weinige knoppen waar je nog echt aan kan draaien voor het certificaat wordt opgemaakt. Daarom bieden we drie diensten aan die je label meteen ten goede komen.

  • Meterscreening

    een audit van je bestaande bemetering vóór de opmaak van het EPC, zodat je label niet onnodig laag uitvalt.

  • Meteradvies

    welke bijkomende meters, zoals een injectiemeter voor PV, een aparte warmtepompmeter, een warmtemeter of submeters, effect hebben op je label. De plaatsing zelf gebeurt door je installateur of je netbeheerder.

  • Periodieke meteropname

    we nemen je meters jaarlijks of maandelijks op als opvolgdienst. Bij de eerste meterdata maken we een simulatie van het label dat je mag verwachten.

Veelgestelde vragen

Wat gebeurt er als ik geen meetgegevens heb?

Dan krijg je label G, het slechtste label. Tot eind 2025 was dat nog label X als overgangsmaatregel, maar sinds 2026 is het label G.

Mag ik mijn meterstanden in Excel bijhouden?

Ja. Wettelijk volstaat een Excel-bestand of een energiemonitoringtool. De gegevens moeten wel duidelijk, consistent en verifieerbaar zijn, en de meter moet cumulatief uitleesbaar zijn.

Ik heb net een meter laten plaatsen. Telt die al mee?

Nog niet. Een meter draagt pas bij aan je label na twaalf maanden geldige metingen. Plaats je meters dus ruim voor de labeldeadlines van 2028 voor publieke gebouwen en 2030 voor alle andere.

Volstaat de uitlezing van mijn omvormer voor de PV-productie?

Meestal niet. Omvormeruitlezingen halen de nauwkeurigheidseisen van het VEKA vaak niet. Voor de productiemeting heb je doorgaans een aparte gekalibreerde meter nodig.

Moet ik mijn warmtepomp apart bemeten voor verwarmen en koelen?

Het moet niet, maar het loont. Meet je enkel gecombineerd, dan wordt de meest conservatieve formule toegepast en valt je hernieuwbaar aandeel, en dus je label, lager uit.

Laat je bemetering nakijken

Wij lopen je meters na vóór de opmaak van het EPC, zeggen je welke er ontbreken en nemen de opnames voor je op als je dat wil.